Home > Practische Hints voor elke maand van het jaar ! > November > Koppelen is een Kunst

Koppelen is een Kunst

De K van kunst heb ik bewust met een hoofdletter geschreven, omdat ik er heilig van overtuigd ben dat je door goed na te denken over je koppelingen elk jaar een sport hoger kan klimmen op de ladder die uiteindelijk moet leiden naar topprestaties. De laatste paar maanden heb ik u in de kadertjes deelgenoot laten worden van een aantal van mijn voorgenomen koppelingen. U heeft daar als het goed is een aantal vaste patronen in kunnen ontdekken, waar ik al jarenlang strikt aan vast houd. Waarom? Omdat ik ervaren heb dat ik met een bepaalde manier van koppelen het meeste succes heb. En waarom zou je gokken op faktoren zoals toeval en geluk?? Natuurlijk is de duivensport een hobby. Een hobby die iedereen kan beleven zoals hij of zij zelf het prettigste lijkt. Toch wil elke beoefenaar van onze sport graag presteren. En als het kan elk nieuw jaar wat beter dan het jaar ervoor. Dat kunnen we alleen maar bereiken met nog betere duiven. Want alleen met betere duiven kunnen we nog beter presteren. En als het minder gaat, zonder dat we iets aan onze hokken of aan onze methoden hebben veranderd, dan hebben we het jaar tevoren duidelijk een mindere kweek gehad. Zo simpel is dat. Bij mijzelf is dat direct merkbaar, omdat van de 45 bakken er steeds 35 met jaarlingen worden gevuld. Ik ben dus ieder jaar verplicht bijzondere aandacht te schenken aan mijn koppelingen, anders kom ik mezelf onmiddellijk tegen. In de tweede helft van deze maand zullen bijna alle programmaspelers hun duiven gaan koppelen. En ik hoop dat mijn koppelbijdragen ertoe zullen bijdragen dat de liefhebbers wat serieuzer zullen worden met het samenstellen van hun koppels. 


Er zijn helaas nogal wat "kronijkers" die ons willen doen geloven: "zet de tussendeur maar open en laat ze het zelf maar uitzoeken. U heeft met deze manier van koppelen net zoveel succes, als dat u het zelf zou doen." Ik vind dit een fantastische manier van koppelen. Eerlijk waar...., .maar dan wel voor mijn vliegduiven. Ik geloof heilig in de voorkeur van de ene partner voor de andere. Om goed te kunnen presteren is liefde voor elkaar nodig. Dat staat als een paal boven water. Dit jaar krijgen op het "bovenhok" de beste doffers de keus uit het tweede garnituur duivinnen. Op het "keukenhok" wordt dit jaar dubbelweduwschap gespeeld. En daar krijgt de tweede kwaliteit doffers de vrije keus uit mijn beste duivinnen. Ik zie graag dat mijn vliegduiven tevreden zijn met hun bak en met hun partner. Dat is nu de basis voor motivatie die straks leidt tot topprestaties. Maar er is niemand die me zover kan krijgen om uit zulke koppels te kweken. Als ik dan de door het volk gewaardeerde penneridders zoals AS ieder seizoen toch wel een keer een lans zie breken voor "vrij koppelen" onder het mom van wat kennen wij eigenlijk van duiven, dan denk ik Ad jongen dat kan je toch niet menen. Zo lang zo goed spelen en dan zoveel geluk hebben al die jaren, dat bestaat toch niet. Ook jij moet er serieuzer over nadenken. Wat je op je kweekhok zet en wat je als mogelijke versterking bij haalt. Als ik iets bij haal, dan heb ik met zo'n duif vanaf het eerste moment dat ik ze bijzonder vindt een bedoeling. Dan heb ik al direkt een ingeving: dat of dat moet erop. Je bemerkt bepaalde kwaliteiten. Kwaliteiten die sommige van je eigen duiven nog beter zouden kunnen maken. En met die kwaliteiten ga je toch niet om in de trant van Gods water over gods akker laten lopen??


Over geluk in de duivensport heb ik zelf echt niet te klagen gehad. Maar met het geluk wat me in de schoot viel heb ik wel wat gedaan! Sommige dingen in het leven komen als "de witte olifant" uit het oerwoud zo maar op je toe. En dan moet je wel open staan voor het vervolg van de voorzet die je voor open doel kreeg. Je kopt hem erin of erover....


In 1973 kwam ik na het overlijden van mijn leermeester Georges Veys in het bezit van 15 kleinkinderen van de wereldberoemde "Oude Klaren '46" van Valere Desmet-Matthijs uit Nokere. Die heb je dan ineens in je schoot geworpen gekregen en de vraag die dan eigenlijk meteen behoort op te komen is: wat ga je ermee doen?? Nu had ik toen al heel wat duiven van Georges Veys op mijn hok, waaronder diverse van zijn beste duiven. En ik had het gevoel dat ik iets niet helemaal goed deed, want resultaten zoals Georges die met die duiven behaalde, dat kreeg ik nog niet voor elkaar. Ik deed dus iets niet goed of niet goed genoeg. Maar wat en hoe. Toen kwam er een lange pass a la Ronald Koeman over vele kilometers uit Hongarije. Hij was afkomstig van Prof. Alfons Anker uit Kaposvar een geneticus werkzaam aan de gelijknamige landbouwuniversiteit in zijn woonplaats. Een regelmatige briefwisseling kwam op gang, die in 1974 gevolgd werd door een uitnodiging om in Hongarije op vakantie te komen. En dat was uiteraard niet aan dovemans oren geklopt.


De vraag waarover ik mijn hersens al geruime tijd pijnigde was: hoe kan ik de kwaliteit van de kleinkinderen van "De Oude Klaren '46" vasthouden. Hoe moet ik die koppelen. Die vraag legde ik aan Prof. Anker voor en zijn pen schetste al snel een schema op papier. Er was echter een "maar" aan verbonden. Hij had die duiven die ik wilde gebruiken nog nooit gezien en hij kon de volgende generatie(s) ook niet komen selekteren. Dat moest ikzelf doen. Ik moest me van hem gaan verdiepen in de wetten van de duivengenetika. Leren wat de belangrijkste eigenschappen bij duiven waren, hoe ze zich gedroegen in de vererving zodat ik me er mijn voordeel in de kweek mee kon doen. Leren hoe ik de belangrijkste eigenschappen kon herkennen. Dan kon ik erop selekteren en zodoende de beste exemplaren voor de kweek gebruiken. Wat hij me probeerde duidelijk te maken was: voordat je gaat koppelen, moet je je duiven selekteren en die duiven voor de kweek gebruiken die daar de beste eigenschappen voor bezitten. Als je in de duivensport vooruitgang wilt boeken, dan moet je daar je best voor doen. Dan volstaat het niet meer om de tussendeur te openen en te zeggen: hup jongens vooruit en God zegene de greep......


Maar laat ik bij het begin beginnen: het kweekschema waar ik uiteindelijk zo formidabel mee vertrokken ben in de duivensport. Het staat in het nawoord van het boek wat Prof. Anker en ik samen geschreven hebben. Wie het in zijn bezit heeft kan het er nog eens in alle rust op na slaan. Hier heb ik niet de juiste ruimte om een schema neer te zetten, maar ik zal mijn best doen om het zo duidelijk mogelijk met woorden uit te leggen. Met die 15 kleinkinderen van "De Klaren '46" moest ik aan inteelt gaan doen. Ik moest neef x nicht koppelingen gaan samenstellen, waar steeds "De Klaren '46" als enigste gemeenschappelijke voorouder te vinden was. Prof. Anker bedoelde daarmee, dat als je het pedigree van een jong uit twee van die kleinkinderen bekeek, dat van alle duiven die erin voorkwamen alleen de naam van "De Klaren '46" TWEE keer voorkwam. Op die manier moest ik minimaal twee koppels samenstellen en n kleinkind apart houden. Vervolgens moest ik een zodanig pedigree in de volgende generatie samenstellen, dat alleen "De Klaren '46" er VIER keer in voorkwam. En zo'n "vierdubbele" moest worden gekoppeld aan het kleinkind wat ik apart gehouden had. En ook hier gold: alleen "De Klaren '46" mocht in de stamboom terugkeren. Op die manier kon ik volgens Prof. Anker het bloed van "De Klaren '46" terugkweken. Theoretisch dan, want praktisch gezien is dat onmogelijk. Ik kon het schema volledig volgens "tekening" invullen. Dit kwam door de dievenbende die op een winterdag in 1953 heel het hok bij Valere had leeggehaald. Behalve "De Klaren '46", want die bracht altijd de nacht door in een mandje in de bedstee bij Valere. Toen moest Valere Desmet-Matthijs bij vrienden en kennissen aankloppen om duivinnen voor zijn enigst overgebleven duif. Hij kreeg van het beste wat er was toegestopt en wat hij moest gaan doen was: kruisen. Zo ontstond er toen eigenlijk de basis voor het systeem wat ik ruim dertig jaar later met succes kon toepassen, want door al die uit nood bijgehaalde vreemde duivinnen kon ik gemakkelijk op die wereldberoemde stamdoffer intelen! 


Ik heb het zojuist over een "maar" gehad. Het resultaat van zo'n inteeltmethode hangt natuurlijk wel af van de kwaliteit van het materiaal wat je ervoor gebruikt. Het is dus niet een kwestie van louter duiven koppelen op pedigree. Er moet ook nog naar iets anders gekeken worden. En datzelfde geldt voor de nakweek. Ook hier moet met beleid het juiste materiaal uit geselekteerd worden. Prof. Anker prentte me in dat ik goed moest letten op soepele spieren, kleine pupillen in vol gekleurde irissen, intelligente gezichten en vooral karakter duiven moesten het zijn. Dan was ik op de goede weg.


Zo kweekte ik in 1975 na mijn hongaarse vakantie nog "De Donkere Groten" uit "De Groten" x "De Klare Witteslag", twee kleinkinderen van "De Klaren '46". "De Donkere Groten" kreeg in 1976 "De Jonge Ballon"(ook hij had twee kleinkinderen van Valere's stamduif als ouders) als partner en zo werd "De Bels" geboren, waar alles bij mij eigenlijk mee begon. Want die doffer vloog niet alleen uitstekend, op de kweek deed hij het nog beter. Ik zette hem in 1979 op "De Rode duivin", die ook VIER maal "De Klaren '46" in haar pedigree had. Pittige inteelt dus. Zo werd mijn basisduif "Het Boerke" in het laat van 1979 geboren, een doffer waar ik iedere avond nog met plezier een woordje mee wissel. Zijn afstammelingen vliegen eerste prijzen op Nationaal vlak tot in vier generaties. Dat zijn de echte kwekers. 


Natuurlijk verlies je het vliegen niet uit het oog. Ik heb het al zo vaak gehad over "De 08 Duif", de eerste duif die ik voor kruising gebruikte. Haar bloed bleek fenomenaal te passen op dat van "De Kapoen". Dat mag je zeggen als hun zoon "De 312" tijdens drie achtereenvolgende jaren in Nationale Asduif competities op de plaatsen 1-2-4-4 eindigt. Ik heb toen dat vreemde bloed direkt halfbroer x halfzus ingeteeld en zo werd "De 646 Duif" geboren, die met "De Bels" een hele serie uitzonderlijke duiven voortbracht. "De Goede Jaarling" was daarvan de allerbeste. Op een keiharde Chateauroux, toen NABvP nog echt NABvP met n grote lossing was finishte hij met 18 min. voorsprong op 8500 mededingers. Zijn zoon "Magic Blue Turbo" deed hetzelfde op dezelfde vlucht met 8 min. voorsprong. Zijn kleinzoon "Riis" had dezelfde voorsprong in een totale Orleans lossing tegen dik 50.000 duiven. Zijn achterkleinzoon "Arne" deed het bij Arne Porsmose in Denemarken op Altona tegen 6000 duiven. Niet met zoveel voorsprong, want er vielen daar maar liefst 4 achterkleinkinderen tegelijk op de klep....


Het heeft dus wel degelijk zo zijn nut om goed over je koppelingen na te denken. Te proberen als je de echte kwaliteiten op je hok hebt om die vast te houden en ze niet als water op een dorre akker in het stof te zien wegsijpelen. Het heeft zin om je aan een schema vast te houden, omdat het je, op papier althans, de mogelijkheden biedt om niet uit het goede bloed te geraken. Dat is de techniek van het koppelen. Techniek die je aan praktijk moet koppelen. Want in de praktijk heb je te maken met een heel scala van eigenschappen die zich allemaal op een specifieke manier vererven. Als je een goed kweker van postduiven wilt worden, dan zal je je daarin moeten verdiepen. Je hebt eenvoudigweg geen keus. En als je weet hoe de voor de kweek belangrijkste eigenschappen zich vererven, dan dien je je erin te verdiepen hoe je die eigenschappen kunt herkennen. En je dient bij je duiven kwestie die eigenschappen het nodige onderscheid te maken. Elke duif is niet hetzelfde. Er zijn tekortkomingen in bepaalde eigenschappen. En als je vooruitgang wilt boeken, dan moet je zoeken naar een partner die die tekortkoming kan aanvullen zodat de volgende generatie beter is dan die ervoor. Voordat je gaat koppelen dien je je duiven regelmatig te selekteren en die duiven eruit te pikken die in een bepaalde hoek uitmuntend scoren. Tegelijkertijd scoort zo'n duif goed en minder goed m.b.t. andere eigenschappen. Ook dat moet je weten. Al die wetenschap moet je paraat hebben als je gaat koppelen. Eerst op papier, want dan kun je nog eens wat wijzigen. Die bezigheid vind ik eigenlijk het interessantste onderdeel van mijn hobby. Zodanig de puzzelstukjes in elkaar schuiven totdat er uiteindelijk weer een nieuwe kampioensduif geboren wordt. En als u op uw beurt uitgepuzzeld bent, dan zou ik er maar goed op letten dat u de avond voor het koppelen de deur tussen de afdeling van de doffers en van de duivinnen goed afsluit!


Sitemap
Printvriendelijk
Mail sturen
RSS feed

Submenu

Uw naam

Paswoord

Remember me


Steven van Breemen