Home > Steven van Breemen over het orientatievermogen > Ultra violette straling

Ultra violette straling

Er zijn drie soorten Ultra Violette straling: Er is UV-a; Er is UV-b; En er is UV-c. Over de laatste soort(UV-c) hoeven we ons weinig of geen zorgen te maken. Dat wordt verbrand in de buitenste dampkring, ookwel stratosfeer genoemd en bereikt de oppervlakte van de aarde niet. De rondom de aarde aanwezige ozonlaag houdt verder ook een deel van het UV-c tegen. De wetenschapswereld maakt zich de laatste decennia dus niet voor niets zorgen om het dunner worden van deze voor de aarde beschermende ozonlaag.

Van de eerste soort(UV-a) krijgen we het gehele jaar door een kleinere of grotere portie door de zon toebedeeld afhankelijk van het jaargetijde(lees: zonshoogte). Vroege en late jongen groeien op als de zon laag aan het uitspansel staat. Zomerjongen groeien op als de zon hoog aan de hemel staat. Voorjaarsjongen zitten daar qua tijd tussenin. Van winterjongen en late jongen wordt vaak gezegd dat ze over weinig of geen orientatievermogen zouden beschikken. Zou dit wellicht met elkaar te maken hebben?

De tweede soort(UV-b) komt alleen maar voor in de periode tussen de voor- en najaars zonnewende, de periode tussen ruwweg 21 maart en 23 september. In die periode geeft het KNMI dagelijks een zonkrachtverwachting uit. In de maanden oktober tot en met maart niet. Het is UV-b die bij de menselijke huid verbranding veroorzaakt. En hiervoor is de zonkrachtverwachting van het KNMI voor bedoeld om tegen te waarschuwen. Zonder het natuurlijke element UV-b is orienteren voor postduiven, trekvogels, bepaalde vlinder- en vissensoorten eenvoudigweg onmogelijk. UV-b is de energie die postduiven gebruiken ten behoeve van hun orientatievermogen. De beste zonkracht voor postduiven zit in de UV-index in de waarden tussen 3 en 7. Na jarenlange waarnemingen staat voor mij dan ook vast dat het verloop van een wedvlucht met postduiven gekoppeld is aan de sterkte van de UV-straling op de dag dat de wedvlucht plaats vond. In alle jaren van waarnemen ben ik geen enkel ander weersfenomeen tegen gekomen dan UV, dat steeds in positieve dan wel negatieve manier reageert op exact dezelfde weersfenomenen als waar duiven positief dan wel negatief op reageren.

Postduiven reageren negatief op:

middelmatige bewolking: halveert het UV; vertraagt het vluchtverloop
lage bewolking: minimaliseert het UV; hier vinden de meeste slechte- of rampvluchten plaats
regen en onweer: weinig of geen UV; het vluchtverloop is uiterst traag
inversie in het algemeen: kaatst het UV terug; tijdens een inversie geloste duiven kunnen zich niet of nauwelijks orienteren
droge sterke thermiek: weinig of geen UV; het vluchtverloop is uiterst traag
infra-rood straling: geen UV; het vluchtverloop is rampzalig
vluchten in de maand april gelost rond het middaguur verlopen bijna altijd beter dan vluchten vroeg in de ochtend gelost; het UV is s-morgens bijna niet aanwezig en rond het middaguur juist voldoende.
Postduiven reageren positief op:

zon: het UV is steeds optimaal; vluchten verlopen uitstekend;
natte thermiek: het UV is goed en wordt door de hoge, witte bewolking weerkaatst richting aarde; vluchten verlopen uitstekend tot goed.


Bij een voor postduiven gevaarlijk UV-niveau(boven de 7.5) gaat de ultra-violette straling over in het niveau van infra-rood straling. Onderzoek heeft uitgewezen dat infra-rood straling totale verwarring en een geheel ontregeld orientatiesysteem bij postduiven veroorzaakt. Infra-rood straling kan bij postduiven verblindend werken en tijdens omstandigheden waarbij infra-rood straling aanwezig is vertonen postduiven een uiterst gestresst gedrag. In de periode waarbij postduiven gestresst zijn gebruiken zij bovenmatig veel energie uit hun energieveld benodigd voor het orienteren. Het spreekt voor zich dat dat met de nodige problemen voor de duiven en de daarbij behorende verliezen gepaard gaat. Postduiven lossen onder dergelijke omstandigheden is dan ook absoluut af te raden.

Postduiven vermijden gebieden met hoge inversie of droge thermiek. In zo´n gebied gaat alles omhoog: vocht, UV, infra rood. Van het laatste misschien niet veel,  maar genoeg om de duiven volkomen te verwarren. Handmatige UV metingen tijdens wedvluchten hebben mij in mijn overtuiging gesterkt. Inversie is een fenomeen dat zich in het lichtspectrum bevindt en weerkaatst UV. Droge thermiek daarentegen zuigt UV mee omhoog in de atmosfeer. Daarbij fungeert als geleider van infra-rood en dit blokkeert op zijn beurt weer UV. Hoe hoger de droge thermiek of hoge inversie, hoe sterker en hoe nadeliger dit van invloed is op het vluchtverloop.

Wanneer er UV beschikbaar is gaan de beste duiven (lees: die duiven met een optimaal werkend orientatievermogen) naar dat gebied toe om op te laden. Dit kan op de lossinngsplaats zelf zijn, maar dit kan ook wel 100km van de losplaats vandaan zijn. De overige duiven laten zich in de meeste gevallen met de wind meevoeren. Het spreekt voor zich dat in zo´n geval veel tijd verloren gaat en zo´n duif uitgeschakeld is voor de uitslag. Dat is de reden waarom soms  goede duiven vaak onbegrijpelijk laat thuiskomen.

Onder een UV-index van  2.9 midden op de dag kunnen duiven zich slechts met grote moeite orienteren. Dan heb je namelijk alleen UV-a. Om zich goed te kunnen orienteren hebben postduiven  een mix van UV-a en UV-b nodig. Bij lage waarden kunnen alleen duiven met een sterk ontwikkeld energieveld zich goed orienteren. De opbouw van UV is als volgt UV: 0.1-2.9=A boven de 3 komt B erbij.

Wanneer UV straling water raakt neemt het in kracht toe. Duiven reageren daar op alsof ze tegen een muur vliegen. Vliegen ze in dat geval onder invloed van de wind laag dan wijken ze terug. Vliegen ze hoog onder invloed van rugwind dan gaan ze er in de meeste gevallen vlotjes overheen.

Wanneer UV straling de grond raakt wordt ze weerkaatst in een bepaald patroon afhankelijk van de bodemgesteldheid. Deze patronen leggen duiven vast in hun geheugen. De patronen zijn honderden kilometers hoogte te zien. Deze patronen leggen duiven vast in hun geheugen als ze trekken en dit geheugen wordt geraadpleegd tijdens het naar huis toe vliegen. Als je een jonge duif koopt van 30 dagen oud heeft deze al deels deze patronen in zich opgenomen of juist niet en heb je met zulke duiven op een ander hok maar weinig kans om een wedvlucht van naam te winnen.


In sommige gevallen van hoge UV onder invloed van sterke, droge thermiek, vertonen bepaalde gebieden zoals de Veluwe extreme weerkaatsing van UV. Dit jaagt duiven enorm schrik aan en vooral jonge duiven hebben hier grote moeite mee onder deze omstandigheden hun hok terug te vinden.

In lage inversie is alles laag in een specifiek opzicht: wolken, vocht, temperatuur, UV, geluid. In de meeste gevallen is er sprake van wat wind.


In hoge inversie zit alles hoog: wolken, vocht, zuurstof, UV, geluid. Er is dan bijna nooit enige wind van betekenis. Infra-rood is het laatste dat omhoog wordt genomen. Het UV is dan al omhoog en wat je meet is slechts infra-rood. Dit is slecht voor postduiven aangezien het het orientatiesysteem kan vernielen. Een lossing nabij het warmst van de dag geeft het de meeste problemen. Temperatuur hoog en UV-index hoog is hierbij een uiterst nuttig hulpmiddel ter vroege herkenning van het probleem. Denk in dit geval aan een factor: temperatuur x UV index. Bijvoorbeeld 7.4x25= 185 of 7.4x35C=259 De factor geeft de waarschijnlijkheid van een slechte of moeilijke vlucht aan. De temperatuurshoogte, de UV-index, de bewolkingspercentages en ook de mate van droge thermiek zijn nadelige factoren voor postduiven die allemaal een dag voor de lossing bekend zijn. Doe met deze kennis uw voordeel!

Sitemap
Printvriendelijk
Mail sturen
RSS feed

Submenu

Uw naam

Paswoord

Remember me


Steven van Breemen